Ik wil schrijven, en ik schrijf, en ik on-schrijf wat ik geschreven heb. En ik schrijf terug, het papier onder mijn pen verwerpt de woorden die ik opschrijf. Mijn blad is gehavend, mijn ziel ook. Ik tracht opnieuw te schrijven, het wordt een dikke, hete, dampende brij op papier. Ik ben niet werkelijk wakker als ik niet schrijf, dat realiseer ik me nu past, na vele jaren te hebben geslapen. Ik had er geen idee van wie ik was zolang ik niet schreef; om maar niet te spreken van wie ik absoluut niet bent, maar ben geweest voor al die jaren.
Het heeft lang geduurd voor ik begon te schrijven. Als ik schrijf, dan komt naar boven wat die verborgen lag. Dan verschroeien die gloeiende zinnen mijn ogen, en soms ook mijn hele wezen. Soms moet ik, zoals Jeroen Brouwers, mijn pen in de hand nemen en waanzinnige gedachten en gevoelens van me af schrijven. Dit is emotioneel krabbelen vol blijdschap, angst, woede en lust. Het is een helende therapie geworden.
In het schrijven wil mezelf leren kennen, mijn rauwe gedachten zuiveren van het afval en het alledaagse dat zich in de loop van het leven heeft opgehoopt. Het is een ontdekkingsreis, de genadeloze wereld in mezelf ontwaren, openen en begrijpen. Ik moet (of wil) een evenwicht bereiken tussen het ware wezen in mezelf (het bewuste en het onbewuste) en de wereld rondom mij, de wereld die ik heb geschapen en de wereld die er nooit is gekomen. Ik wil mijn lot kunnen begrijpen, het lezen en het kunnen zien, zodat ik verder kan, verder naar de toekomst, verder naar het einde.
Ik ben in een parallelle kosmos verzeild geraakt, nee, geen alles verterend zwart gat, maar de wereld van mijn ziel. Ik voel het gewicht van mijn verleden en de zwaartekracht van mijn toekomst. Het zijn de kernkrachten van het leven die mij voortstuwen door dit universum.
Wat heb ik nodig om in mijn hemel te komen? Daar wil ik de rest van mijn leven aan wijden. Het is “ten biechten” gaan met het verlangen naar absolutie.
Het is een lange en hobbelige weg tot ik de helderheid zal bereiken waarnaar ik schrijvend streef. Ik heb het gevoel een enorme hoeveelheid zinloos werk voor de boeg te hebben. Maar ik kan alleen maar de zinloosheid van dat werk tenietdoen als ik het doe. Hoe meer ik schrijf hoe zinvoller het lijkt om het te doen. Dat weet ik, dat voel ik. Maar op dit moment lijkt het absoluut zinloos.
Ik geloof echter Jung toen hij schreef: “Het doel van het tweede deel van het leven is niet langer de wereld, maar de onvermijdelijkheid van de dood. Onze taak bestaat uit het vinden van onze innerlijke wortels. Het doel ligt niet langer in de wereld daarbuiten, maar wordt een verbreding en consolidatie van de persoonlijkheid. Zelfkennis, een enorme inspanning en bereidheid om de volledige verantwoordelijkheid voor zichzelf te aanvaarden.” Of Stephen Levine: “De vernieuwing van het leven bevat twee hoofdelementen, onderzoeken wat zich in het verleden heeft afgespeeld, en, meer in het heden gaan staan, het psychologische werk van een geconcentreerde gewaarwording, in het reine komen met zichzelf. De voorbereiding op het sterven ligt in het leven.”
Ik word gekweld door de gedachte dat het onvermijdelijk is dat er een laatste zin zal komen.