Ik was vandaag (vandaag is woensdag, 9 augustus) bij het Kasteel de Lovie en in Watou voor het jaarlijkse Kunstenfestival. Het is een mooie en zonnige dag om mezelf onder te dompelen in composities van de dertig kunstenaars en twintig dichters die zijn neergestreken in dit prachtige en authentieke Vlaamse dorp.
Dit jaar was de hevigheid en de diepgang van de kunstwerken, de installaties en vooral de gedichten, zo intens dat ik de ervaring heb neergeschreven in een aantal groepen van woorden.
Hoe mijn lichaam me omhult,
hoe mijn benen me dragen,
hoe mijn voeten elke dag krampachtig trachten,
mijn ziel niet ter aarde te laten storten.
Ik wandel door de velden
langs een machtige rivier
van de drukke stad naar het stille dorp.
Ik zie wat ik nooit zag
ik hoor wat ik nooit hoorde
ik voel wat ik nooit voelde.
Hoe indrukwekkend is de traagheid en de stilte
van de verloren klanken
van het ruisend blad en de wroetende aarde.
Ik weet dat de mens bang is voor de mens.
Er bestaat namelijk geen wreedaardiger wezen dan de mens.
En toch zit daar diep verscholen,
onder een korst van walmende angst,
een klein goddelijk licht dat ooit het monster zal bezweren.
Ik kan me maar niet uit het onheil van het verleden bevrijden,
ik zie dat diepe gat met het rode water steeds terugkeren.
Ik heb niets geleerd, absoluut niets.
Ik adem, dus ik leef.
Als ik niet meer adem leef ik niet meer,
althans,
niet in deze wereld;
dan is mijn ziel vertrokken naar een ander leven.
Ik adem.
Een loopbaan is als een tractor die ploegt door de aarde,
het is een mens die ploetert door het leven.
De spanning tussen massa en individu is te snijden.
De massa streeft eeuwig leven na en wil het individueel lijden vermoorden.
De massa kan zijn eigen sterfelijkheid niet aanvaarden.
Ik ben nog altijd hier,
in het huis van de rijzende zon.
Ik heb geduld,
veel geduld,
een leven lang.
Om uit te vissen wat dit verblijf me te bieden heeft,
en ik zal berustend afwachten wat het me openbaart.
Mijn grens ligt bij een glas bier.
Een Watou tripel gebrouwen met de hop uit deze aarde.
De grens van mijn bestaan ligt
aan de stroom van de oneindigheid,
waar het water niet vloeit maar leeft.
De tuin is een manier om mijn verlies te verwerken,
het verlies van mijn betekenis in deze wereld.
Ik verdamp stilletjes, ik reduceer tot nietigheid.
En toch is dit wat ik wil,
stilletjes en bewust uitdoven op deze aarde
en opgaan in de eeuwigheid,
in de stille zaligheid van de leegte.
De aarde is uitgeput.
mijn leven is uitgeput.
Maar mijn uitputting brengt rust.
En inzicht, het visioen van een leven
dat zijn waarde vindt
in contact met het water dat doorheen alles vloeit.
Die verwondering over wie ik elke dag ontmoet
heb ik nooit tevoren gekend.
Ze is iedere dag een complete verrassing
van mijn onverschrokkenheid.
Ik zie soms de evidentie voor mijn ogen niet.
Het is een tocht
door de regen
en de zon.
In Gods naam,
waar ben ik aan begonnen.
Ik wil geen oorlog.
ik wil het haar van blonde meisjes
liefhebben.
Ik hang mijn kleren aan de haak,
ik hang mijn lijf in de touwen,
ik hang mijn leven aan de eeuwigheid.
Maar dan zie ik je bekoorlijk lijf door het raam,
en in de zon kleed ik me terug aan.
We kijken elkaar in de ogen,
een seconde,
een aftasten
van wat ik waard ben
voor het paren.
Niet vandaag,
ook niet morgen,
nooit.
https://www.kunstenfestivalwatou.be/nl/watou-2023/








